foto: Merlijn Doomernik 

 foto: Bart Burghgraef 


 foto: Peter Wouters

De Kiesraad heeft donderdag 28 mei in een openbare zitting in de plenaire zaal van de Eerste Kamer de uitslag vastgesteld van de Eerste Kamerverkiezingen 2015. D66 heeft tien zetels gekregen. Op 9 juni 2015 treedt de nieuwe Eerste Kamer aan. Petra Stienen krijgt drie portefeuilles. 

Portefeuilles

Immigratie & Asiel
asiel- en vreemdelingenbeleid

Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelings-samenwerking
defensie en ontwikkelingssamenwerking

Infrastructuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening
milieu

Inbreng Petra Stienen bij debat Verlenging Naturalisatietermijn

26 september 2017

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over het wetsvoorstel verlenging naturalisatietermijn van vijf naar zeven jaar. Het voorstel verlengt in de Rijkswet op het Nederlanderschap de termijn waarop iemand het Nederlanderschap kan aanvragen van vijf naar zeven jaar na toelating en hoofdverblijf in Nederland.  Lees de inbreng van Eerste Kamerlid Petra Stienen hier terug.

Mevrouw de voorzitter,
Het Nederlandse paspoort: voor de meeste mensen in dit land is dit document een lot uit de loterij. Dit paspoort toont de nationaliteit van een land die op vele internationale ranglijsten hoog scoort op bijvoorbeeld sociale en economische ontwikkeling, vrijheid en levensverwachting. Een document dat de houder in staat stelt visumvrij te reizen naar 155 landen ter wereld.

Het is voor de D66-fractie vanzelfsprekend dat nieuwkomers in Nederland die via naturalisatie dit paspoort willen verkrijgen aan duidelijke voorwaarden moeten voldoen. Of ze nu EU-burger, migrant, vluchteling of partner van een Nederlander zijn. We mogen van alle nieuwkomers verwachten dat ze laten zien dat ze recht hebben op de Nederlandse nationaliteit, zodra ze de Nederlandse taal geleerd hebben, en ze voldoen aan en getest zijn op de inburgeringseisen. De vraag is binnen welke termijn dat redelijkerwijs van nieuwkomers kan worden verwacht. Tegelijkertijd vindt mijn fractie dat we in dit land zouden moeten streven naar een duurzame en harmonieuze samenleving. Iets dat we eerder bereiken door inclusief te denken en te handelen dan door mensen buiten te sluiten.

Daarom deelt mijn fractie de zorgen van de Algemene Rekenkamer over het inburgeringsbeleid na 2013: de wijze waarop nieuwkomers door de overheid in de gelegenheid worden gesteld om te kunnen participeren en gelijkwaardig burger te worden schiet te kort. Hier kom ik later nog op terug.

Mevrouw de voorzitter,
Vandaag behandelen we de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap en kijken we naar drie belangrijke wijzigingen.

  1. De naturalisatietermijn die verlengd wordt van vijf naar zeven jaar;
  2. De invoering van een drie-jarentermijn van toelating en hoofdverblijf voor de niet-Nederlandse echtgenoot/echtgenote of geregistreerde partner van een Nederlander die zich wil laten naturaliseren;
  3. De toepassing van een openbare ordetoets bij naturalisatie van twaalf- tot zestienjarigen.

Volgens de schriftelijke antwoorden van de staatssecretaris is het doel van het wetsvoorstel “te bevorderen dat men een reële en duurzame band met het Koninkrijk heeft opgebouwd alvorens men Nederlander kan worden”. De achterliggende gedachte is volgens de Memorie van Toelichting dat een langere verblijfsduur in Nederland voorafgaand aan naturalisatie een waarborg is voor betere integratie in Nederland. De staatssecretaris schrijft in zijn schriftelijke reactie op de vragen van de D66-fractie dat “op grond van het Eindrapport Inburgering en Participatie kan worden geconcludeerd dat de factor tijd een positief effect heeft op de participatie van vreemdelingen” en dat daarom de termijn met twee jaar verhoogd moet worden. Er is, volgens de staatssecretaris, bij zeven jaar een grotere kans “dat betrokkene beter het Nederlands beheerst, beter de Nederlanders en de Nederlandse samenleving begrijpt en ook daadwerkelijk zijn weg in die samenleving heeft gevonden”.

In de Memorie van Toelichting, maar ook in de schriftelijke antwoorden, stelt de staatssecretaris dat elke naturalisatietermijn ‘een enigszins arbitrair karakter’ heeft en dat er ‘het gevoelen is dat een termijn van zeven jaar meer recht doet aan de gedachte dat een meer substantiële periode van verblijf en toelating vooraf dient te gaan aan de verlening van het Nederlanderschap.”

De D66-fractie vraagt zich af of de huidige drempels om te naturaliseren niet al hoog genoeg zijn? Mijn fractie vraagt de staatssecretaris hoe hij aankijkt tegen de zorgen van de VNG die het onwenselijk vindt dat een grotere groep niet-Nederlanders twee jaar langer niet volwaardig kan deelnemen aan onze samenleving. Ook wil mijn fractie graag van de staatssecretaris weten waarom hij de bezwaren van de Raad van State, de ACVZ en de VNG over de ontoereikende onderbouwing van deze voorgestelde termijnwijziging naast zich neer heeft gelegd?

Zou de staatssecretaris willen uitleggen wat er dan precies beter kan gaan in die extra twee jaar? Wordt de kans op een baan, het beter beheersen van het Nederlands en het beter begrijpen van de Nederlandse samenleving echt groter? En als er het gevoelen is dat mensen na vijf jaar nog niet voldoende zijn geïntegreerd, zou de staatsecretaris dan niet eens opnieuw moeten kijken naar al eerder genoemde grote zorgen die er zijn rondom de inburgeringstrajecten in dit land?

De slechte organisatie van inburgeringstrajecten lijkt op een paradoxale wijze onderbouwing te geven voor de rechtvaardiging van een verlenging van de naturalisatietermijn van vijf naar zeven jaar. Ziet de staatssecretaris ook dit verband tussen inburgering en verlenging van de naturalisatietermijn? Andersom geredeneerd: als er een betere systematiek van inburgering zou zijn, is de verlenging van vijf naar zeven jaar dan nog nodig?

Mijn fractie hoort daarbij graag van de staatssecretaris welke rol de Nederlandse overheid op nationaal en lokaal niveau beter zou kunnen spelen als nieuwkomers moeite blijken te hebben met het integreren vanwege hun leeftijd, gender, sociaal-economische positie, culturele en religieuze achtergrond, hun opleidingsniveau en mogelijke oorlogstrauma’s? Is het niet van belang om ook in het kader van deze wetswijziging nog eens opnieuw te kijken naar de relatie tussen inburgeringstrajecten en succesvolle integratie?

Kortom, in het scenario van de staatssecretaris lijkt naturalisatie en het daarbij behorende Nederlands paspoort een sluitstuk van een geslaagde integratie. Maar zou het niet juist andersom ook waar kunnen zijn? Is het Nederlanderschap niet juist een belangrijk middel om de rechtspositie van de nieuwkomer te verstevigen en juist daarmee de integratie te bevorderen? Graag een reactie van de staatssecretaris.

In het Memorie van Antwoord van 22 december 2016 stelt de staatssecretaris dat de zevenjaarstermijn in de rest van Europa niet ongebruikelijk is. Hij noemt landen als Griekenland, Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië en Slowakije die deze zevenjaarstermijn hebben, Duitsland en Estland met een termijn van acht jaar en Spanje en Litouwen die een termijn van tien jaar kennen. Allemaal binnen de termijn van tien jaar die geldt volgens het Europees Verdrag inzake Nationaliteit. Mijn fractie heeft de staatssecretaris gevraagd dit verder uit te laten zoeken bij het European Network on Migration. Uit dat onderzoek komt naar voren dat Frankrijk, Luxemburg, het VK, Zweden en Finland wel de vijfjaartermijn aanhouden en ook in Tsjechië, in tegenstelling tot in de opsomming van de staatssecretaris, is deze termijn mogelijk.

Opvallend in dit Europese onderzoek is de Belgische situatie, waar een kortere termijn van vijf jaar geldt voor nieuwkomers die aan hele duidelijke voorwaarden rondom verblijf, taalbeheersing en arbeidsverleden voldoen en 10 jaar voor nieuwkomers die daar meer tijd voor nodig hebben. Mijn fractie is dan ook benieuwd of de staatssecretaris heeft overwogen aan verschillende termijnen te denken, zeg maar een short track en een long track procedure zoals in België? En zo ja, wat is de reden geweest om hiertoe vervolgens niet te besluiten?

Voorzitter,
Ik ga over naar het onderwerp vluchtelingen. Zowel artikel 34 van het VN-vluchtelingenverdrag als artikel 6, vierde lid, onder g, van het Europees Verdrag inzake Nationaliteit stellen dat de naturalisatie van erkende vluchtelingen bespoedigd en vergemakkelijkt moet worden. Voor vele vluchtelingen betekent uitstel van naturalisatie met twee jaar een grote belemmering op mogelijkheid tot reizen en werken in het buitenland, discriminatie bij sollicitaties, geen stemrecht bij provinciale, nationale en Europese verkiezingen en belemmering bij het afsluiten van hypotheken en contracten. Velen van hen hebben geen bescherming meer van hun land van herkomst en hebben geen effectieve nationaliteit. Als Irakees kun je maar 26 landen bezoeken zonder visum. Als Nederlander, zoals gezegd, 155.

De staatssecretaris stelt dat de regering wel degelijk vluchtelingen faciliteert door de lagere kosten van de leges bij een naturalisatieverzoek en kwijtschelding van lening voor het inburgeringsdiploma. Ook noemt de staatssecretaris het feit dat een vluchteling geen kosten kwijt is aan het vergaren van buitenlandse identiteits- en nationaliteitsbewijzen omdat asielgerechtigden deze documenten in een naturalisatieprocedure niet hoeven te overleggen. Ziet de staatssecretaris dit niet als een wat karige invulling van onze internationale verplichtingen?

Waarom kiest de staatsecretaris geen kortere termijn voor vluchtelingen, zoals bijvoorbeeld de termijn van drie jaar die geldt voor staatlozen? Waarom kunnen vluchtelingen niet naturaliseren als zij na vijf jaar een permanente verblijfsvergunning krijgen, zo vraagt de D66-fractie? En hoe zit het met een vluchteling/migrant die al vijf jaar in een EU-land heeft gewoond als statushouder, moet deze persoon dan bij vestiging in Nederland alsnog zeven jaar wachten alvorens een naturalisatie kan worden aangevraagd?

Voorzitter,
In het schriftelijke overleg heeft de D66-fractie vragen gesteld over de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de één miljoen Nederlanders die wonen en werken in het buitenland waarvan velen een niet-Nederlandse partner hebben die graag Nederlander wil worden. In zijn reactie stelt de staatssecretaris dat “de regering niet inziet dat het voorstel het doen en laten van de Nederlandse partner zal beïnvloeden”. Voorzitter, ik vraag de staatssecretaris of dit wel terecht is, gezien de verstrekkende gevolgen die dit wetsvoorstel zal hebben op gezinsleven en loopbaan als Nederlanders hun werkende leven moeten onderbreken om drie jaar in Nederland te gaan wonen zodat hun partner aldaar het naturalisatieproces kan starten.

Ons bereiken verhalen die allemaal een soortgelijk patroon hebben als in dit voorbeeld: Een Nederlandse vrouw die werkt voor een groot internationaal landbouwbedrijf in Rusland. Zij woont samen met haar niet-Europese man in Moskou. Om eenheid in het gezin te houden wil haar man Nederlander worden. In de oude situatie kon dat vanuit Moskou. In de nieuwe situatie moet zij haar baan opgeven als zij samen met haar man wil blijven wonen, omdat het voor naturalisatie vereist is dat hij drie jaar in Nederland moet verblijven. Is de staatssecretaris nog steeds van mening dat het voorstel het doen en laten van de Nederlandse partner niet zal beïnvloeden?

Als beleidsmatige legitimatie voor het invoeren van een termijn van toelating en hoofdverblijf voor de niet-Nederlandse echtgenoot/echtgenote of geregistreerde partner van een Nederlander noemt de staatssecretaris dat het tot een verregaande onevenwichtigheid in de naturalisatievoorwaarden leidt als tegelijkertijd nog kan worden genaturaliseerd door personen die in het geheel geen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving, of een samenleving van één van de andere landen van het Koninkrijk. Dat de partners van Nederlandse expats samenleven met een Nederlander geeft hen voor deze staatssecretaris nog geen toegang tot de Nederlandse samenleving.

De D66-fractie ziet deze veronderstelde onevenwichtigheid niet als argument voor een wetswijziging. Integendeel, mijn fractie vraagt de staatssecretaris hoe hij de nadelige gevolgen van de wetswijziging inschat voor het gezinsleven en carrière van die Nederlanders met niet-Nederlandse partners in het buitenland. Zeker voor Nederlanders die niet uitgezonden zijn door de Nederlandse overheid of een Nederlands bedrijf maar voor een buitenlandse werkgever werken of zelfstandig ondernemer zijn blijkt ook het middelenvereiste van drie jaar vaak een struikelblok te zijn. Kan de staatssecretaris deze Kamer inlichten hoe het staat met de op 23 februari jl. aan de Tweede Kamer toegezegde voorlichting over de mogelijkheden tot maatwerk voor Nederlandse expats rondom deze inkomenseis?

Daarnaast vraagt onze fractie zich af waarom de staatssecretaris geen mogelijkheid creëert om jaren in Nederland te kunnen sparen over een langere periode. Hierbij hoeven niet-Nederlandse partners van Nederlanders niet per se drie jaar achter elkaar in Nederland te wonen voor ze naturalisatie kunnen aanvragen, maar bijvoorbeeld steeds een periode van zes maanden of een jaar achter elkaar over een periode van bijvoorbeeld 5 jaar.

En dan tot slot, mevrouw de voorzitter, heeft mijn fractie nog een vraag over de openbare ordetoets voor twaalf- tot zestienjarige vreemdelingen die verdacht worden van een ernstig misdrijf en in aanmerking willen komen voor naturalisatie tot Nederlander. De D66-fractie vindt dat ook voor twaalf- tot zestienjarige vreemdelingen geldt dat je in Nederland onschuldig bent tot het tegendeel is bewezen. Is het weigeren van naturalisatie op het moment dat er nog geen veroordeling is, hiermee niet in strijd? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Mevrouw de voorzitter, mijn fractie kijkt uit naar de beantwoording van de staatssecretaris.

Petra Stienen

Immigratie & Asiel, Defensie & Ontwikkelingssamenwerking, Milieu, Europa

Website D66

Agenda

12-12-2017

Eerste Kamer der Staten-Generaal
plenaire vergadering
Den Haag

19-12-2017

Eerste Kamer der Staten-Generaal
plenaire vergadering
Den Haag

16-01-2018

Eerste Kamer der Staten-Generaal
plenaire vergadering
Den Haag